Cité Moderne

Wonen in modernisme?

Korei Guided Tours zet zich sinds 1995 in voor de herwaardering van het modernisme. Zo werd de Brussels Biennale of Modern Architecture al vijf keer georganiseerd. In het kader van het festival schreef Maurizio Cohen (Faculté d’Architecture La Cambre Horta) in 2020 een pamflet dat de verloochening en het imagoprobleem van het jonge naoorlogse erfgoed naar voren brengt. Hij beschrijft hoe we opnieuw nieuwsgierig naar het verleden moeten kijken en kennismaken met het gedurfde, sociale, experimentele en toonaangevende erfgoed.

Lees hieronder een ingekorte versie van het pleidooi 'Wonen in modernisme?'

Bekijk hier ons aanbod voor rondleidingen en interieurbezoeken van modernistische architectuur.

Le Tonneau (1938-1940), Stanislas Jasinski, Elsene © visit.brussels Jean-Paul Remy
Le Tonneau (1938-1940), Stanislas Jasinski, Elsene © visit.brussels Jean-Paul Remy

Eerste proloog: een herenhuis 

Op 17 augustus 2020 stond in La Libre Belgique een artikel over een herenhuis uit 1868 in Eigenbrakel, dat op de lijst van onroerend cultureel erfgoed van Wallonië staat. Er was een aanvraag ingediend om het huis te slopen en te vervangen door een gebouw met 16 appartementen. Een groep burgers had een petitie gestart om het gebouw te redden. Volgens het artikel beweerde de burgemeester dat in geen jaren iemand nog belangstelling had getoond in het pand, dat het niet meer voldeed aan de huidige comfortnormen en dat het een bodemloze financiële put was. Het artikel sloot af met deze woorden: “[De burgemeester] heeft aan de tegenstanders van het huidige project het idee geopperd om met behulp van crowdfunding het gebouw waar ze zo aan gehecht zijn zelf te kopen en er hun zin mee te doen...”. 

Wat in dit soort discours steevast ontbreekt, zijn begrippen als algemeen nut, gedeeld verleden, collectief geheugen, of simpelweg waarden in het algemeen. Als een burgemeester, die geacht wordt niet alleen zijn kiezers, maar al zijn inwoners te vertegenwoordigen, werkelijk zo gereageerd heeft, zit het probleem dieper en is het geworteld in de politiek, in de nobele zin van het woord. Want erfgoed beschermen heeft niets te maken met nostalgie naar een verzonnen verleden, maar alles met bewuste politieke keuzes. 

Tweede proloog: een resolutie

Op vrijdag 24 maart 2017 heeft de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties unaniem de resolutie 2347 goedgekeurd, waarin de vernieling van cultureel erfgoed een ‘oorlogsmisdaad’ genoemd wordt. Irina Bokova, directeur-generaal van de UNESCO, licht die beslissing als volgt toe: “Opzettelijk erfgoed vernielen is een oorlogsmisdaad en is een oorlogstactiek geworden om samenlevingen op lange termijn kapot te maken, in een strategie van culturele zuivering. Daarom is het verdedigen van cultureel erfgoed veel meer dan een culturele kwestie. Het is noodzakelijk voor de veiligheid en is onlosmakelijk verbonden met mensenlevens. [...] De vrede herstellen kan niet zonder cultuur en niet zonder onderwijs, preventie en overdracht van erfgoed. Daar draait het in deze historische resolutie om.”

Deze internationale reactie kwam er na de vernielingen door meerdere islamitische groeperingen in Afrika en Azië, en vestigde de aandacht op de ideologische aard van dergelijke praktijken. De formulering klinkt echter als een universele verklaring, die ook in onze landen en steden relevant is: ook al zijn de vernielers hier geen fanatiekelingen, ze maken zich evengoed schuldig of medeplichtig aan handelingen die uitsluitend economische winst nastreven. 

Cité Moderne (1922-1924), Victor Bougeois, Sint-Agatha-Berchem © Séverin Malaud urban.brussels
Cité Moderne (1922-1924), Victor Bougeois, Sint-Agatha-Berchem © Séverin Malaud urban.brussels

Derde proloog: plagen en winst

Op 11 april 2019 publiceert La Libre Immo een dossier met de titel ‘Proceduremisbruik blokkeert vastgoedprojecten’ waarin procedures worden afgeschilderd als ‘plagen’ voor vastgoedprojecten, omdat ze de ‘noodzakelijke verdichting van het grondgebied’ in de weg staan. Op 27 september 2017 lezen we in een artikel dan weer dat, volgens een onderzoek van het online platform www.investr.be, één op de vijf panden verkocht wordt aan beleggers die een vastgoedportefeuille willen opbouwen. Voor nieuwbouw loopt dat percentage zelfs op tot 50%.

Enerzijds wordt een recht van alle burgers van een democratische staat een ‘plaag’ genoemd, omdat het een rem is voor de vastgoedactiviteiten en de winst die ermee verkregen wordt. Het probleem zou dus in het begrip en de grondslag van de procedures zitten en niet in het opzet en relevantie van de projecten. Anderzijds stellen we vast dat de verdichting eerder de vastgoedbeleggers ten goede komt.

De uitdagingen

Om het vandaag over moderniteit te kunnen hebben, moeten we even terugkijken naar de 20ste eeuw en al zijn ontwikkelingen. De technische innovaties en de verspreiding van nieuwe materialen van die periode hebben de bouwsector wereldwijd ingrijpend veranderd. De bebouwde oppervlakte is exponentieel toegenomen en er verschenen geleidelijk aan nieuwe volumes en typologieën, die zich vestigden, ingeburgerd raakten en soms weer verdwenen. 

Wonen in een huis of appartement dat ontworpen is tussen de jaren 1920 en 1970 is niet echt een probleem, want de opbouw en de functies verschillen niet al te zeer van de huidige praktijken. We kunnen ons perfect aanpassen aan hun afmetingen en ruimten. Vandaag wonen in architectuur van de ‘moderniteit’ confronteert ons echter wel met kwesties die verder reiken dan esthetische waarden of levensstijl. De voornaamste problemen houden enerzijds verband met de veranderde paradigma’s die de wetten en normen met zich meebrengen, en anderzijds met de gevolgen van de milieuveranderingen. 

Glazen Huis (1935-1936), Jean-Amaury Michel, Ukkel © Admirable Facades
Vooraanzicht en detail van het Glazen Huis (1935-1936), Jean-Amaury Michel, Ukkel © Admirable Facades

De vele nieuwe voorschriften die elkaar snel opvolgen zijn van dien aard dat ze ons vermogen beperken om in de bestaande gebouwen te wonen. Ze steunen op algemene abstracties en houden er niet noodzakelijk rekening meer dat elk gebouw een ‘geval apart’ is. Voor de bewoners brengt die situatie heel wat moeilijkheden met zich mee, want ze worden verplicht hun eigendom ‘te normaliseren’. Als hun vastgoed bovendien beschermd is, kunnen ze niet anders dan gedeeltelijk afzien van hun comfort.

Kunnen we wonen in het Glazen Huis van Paul-Amaury Michel en tegelijk de achtergevel van glasdallen of de grote glaspartij van de voorgevel afbreken? Kunnen we ons voorstellen in een huis van Jacques Dupuis, Albert Bontridder, Simone Guillissen-Hoa of Jacques Wybauw te wonen en de buitenmuren te bekleden of de dakprofielen en -volumes te wijzigen om ze beter te isoleren? Kunnen we de ramen van de door Josse Franssen, Lucien-Jacques Baucher, Stanislas Jasinski of Jacques Cuisinier ontworpen appartementsgebouwen aanpassen als we daarmee de architectonische opzet veranderen? Kunnen we een ontwijde kerk verbouwen tot appartementen? Ja, dat kunnen we, tenminste als architectuur niet meer van tel is.

Brussel, een museum?

Een vaak gehoord argument in de vastgoedpers (maar ook in de architectuurpers) is dat steden geen museums mogen worden. Venetië, dat zowat al zijn inwoners verloren heeft en een bijna uitsluitend toeristische plek is geworden, is daar het duidelijkste voorbeeld van. Toch is het op zich eigenaardig om een stad met een museum te vergelijken en daar een bedreiging in te zien. Uiteraard verzamelen musea onze culturele producties uit het verleden, maar het ligt in hun aard om voortdurend te evolueren: ze worden aangevuld met nieuwe werken, hun ruimten zien er steeds weer anders uit en ook de tentoonstellingstechnieken veranderen. We zijn echter vastgeroest in het valse idee dat een museum een onveranderlijke plek is. 

La Nouvelle Maison (1938), Henry Van de Velde, Tervuren © Eva Lo
La Nouvelle Maison (1938), Henry Van de Velde, Tervuren © Eva Lo

Buitenlandse architecten en toeristen die Brussel bezoeken, merken vaak op dat ze de indruk hebben door een openluchtmuseum te lopen, met verschillende collecties, enkele meesterwerken en enkele minder interessante ruimten. Voor hen is het een levendig, bewoond museum, vol verrassingen en tegenstellingen. Naar die reacties zouden we moeten luisteren, want ze inspireren ons om de stad naar waarde te schatten. 

Als we ook de architecturen en bouwwerken leren aanvaarden waar we niet van houden, de uitingen die we niet mooi vinden, als we het verleden niet langer zien als een ‘fout’, maar het nieuwsgierig en welwillend benaderen, verliezen vragen als ‘Should I stay or should I go?’ wellicht alle relevantie. Aan het begin van het derde decennium van de 21ste eeuw zouden we onze blik moeten bijstellen en ons verleden aanvaarden, want we zijn het resultaat ervan. 

Huis Grégoire-Lagasse (1933), Henry Van de Velde, Ukkel © Jean-Paul Remy visit.brussels
Huis Grégoire-Lagasse (1933), Henry Van de Velde, Ukkel © Jean-Paul Remy visit.brussels

Oplossingen

Aan debatten over ‘slopen of bewaren’ is er geen gebrek. De Bouwmeester van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de vastgoedpers hebben zich al vaak over deze problematiek gebogen. Er zijn steeds meer lovenswaardige initiatieven om een circulaire economie in de bouwsector te bevorderen. 

Als we willen blijven wonen in moderne architectuur, is er meer kennis en onderzoek nodig. We moeten de kennis uitbreiden en generaties van steeds competentere spelers opleiden. We moeten de geschiedenis van de stad en haar economie kennen, maar ook de geschiedenis van zij die de bouwwerken, infrastructuren en openbare ruimten hebben ontworpen en gefinancierd. We moeten de oorsprong en de aard van de stedenbouwkundige vormen en de architectonische oplossingen begrijpen, de gebouwen leren kennen en investeren in oplossingen die geschikt zijn voor het bestaande vastgoedbestand.

In plaats van het steeds over de stad van morgen te hebben, zou het ons al een heel stuk op weg helpen als we correct aan de slag gaan met de bestaande stad en haar benutten. Daarom moeten we vooruitgang boeken op alle niveaus, met een politieke wereld die visies en waarden uitdraagt, met solide, competente besturen die projecten kunnen begeleiden en tot een goed einde brengen. Met bouwprofessionals die hun activiteiten kunnen ontwikkelen zonder de architectonische kwaliteit op te offeren om financiële redenen, en ten slotte met ontwerpers die minder pretentieus en cynisch zijn, maar competenter en onafhankelijker. Met andere woorden, we moeten opvoeden en onderwijzen.

Woning en atelier (1928), Adrien Blomme, Brussel © A. de Ville de Goyet urban.brussels
Woning en atelier (1928), Adrien Blomme, Brussel © A. de Ville de Goyet urban.brussels

Als we ons bekommeren om ecologie, toekomst en een beter gebruik van onze omgeving, moeten we investeren in onderzoek en (h)erkenning van onze geschiedenis. De huidige eisen vragen ons niet om alles met de grond gelijk te maken en van nul te beginnen. Vernielen is een gemakkelijke maar laffe daad. Het houdt een weigering in om het leven zoals het voor ons was te leren kennen en te bestuderen, want we vernielen wat we niet begrijpen, wat we niet kennen. 

Deze tekst is geen pleidooi om alles te bewaren, maar om onze geschiedenis te aanvaarden. Wie wil wonen in een huis of appartement uit de 20ste eeuw en er de troeven en waarden van wil behouden, zal altijd iets moeten opofferen.

rood korei
Maurizio Cohen – architectuurhistoricus La Cambre ULB
Deel dit artikel